maandag 10 mei 2010

Inspired.

I never,
ever have felt so inspired.
So inspired,
by just closing my eyes
and listen.
Listen to her amazing voice,
enjoying.

My female hero,
came through youtube in my life,
she is giving me the power,
the strength,
to play often guitar,
to improve my singing,
to believe in my dream.

Thank you,
thank you for your songs,
thank you for being on youtube,
thank you for inspirering me,
thank you for being you.
Gabriella Aplin.
<3

vrijdag 7 mei 2010

notre pays des merveilles.

Prenez vos lunettes de soleil, et de prendre immédiatement vos pensées et vos rêves avec vous, alors nous irons ensemble à notre pays des merveilles.

Cosmogirl schrijfwedstrijd.

‘Hé Fleur! Wie had ooit nog gedacht dat wij nog eens samen op vakantie zouden gaan?’ Verschrikt draaide fleur zich om. Oh nee! Ze kon wel door de grond zakken toen ze zag wie er door de klapdeuren van de dansstudio kwam lopen. Uitgerekend Milan was haar danspartner. Hij was de knapste, maar ook de meest arrogantste jongen van de dansschool en Fleur kon hem niet uitstaan. Boos keek ze naar haar dansleraar. Hij wist dondersgoed dat ze Milan niet mag en toch stuurde hij hen samen naar één van de meest prestigieuze danswedstrijden in L.A. Bah, waarom moest haar vaste danspartner Jasper nou ook net zijn voet breken?

Ik kende Milan al sinds mijn achtste. Sinds ik was verhuisd van de drukke stad, naar het kleine dorpje, had hij me sindsdien altijd als mikpunt gezien. Mijn vlechten losmaken, mijn springtouw verstoppen en mijn lekkere dropjes opeten. We waren even oud, en daardoor kwamen we ook op de middelbare school bij elkaar in de klas.

‘Ik had dat ook nooit gedacht’, zei ik sarcastisch, en ging in positie staan. ‘Fleur, ik weet dat je niet goed met Milan kunt opschieten, maar hij is de enige die deze dans in deze korte tijd kan onthouden, en goed kan uitvoeren. Laten we beginnen, we hebben weinig tijd. De begintonen van Work van Kelly Rowland, vulden de danszaal. ‘1, 2, 3, 4’ En terwijl ik mijn choreografie samen met mijn dansleraar uitvoerde, keek Milan toe. ‘Nou, misschien kunnen we iets aanpassen vanuit mijn gedeelte. Als je bij dit punt bent, dan kan ik misschien een draai maken, zodat ik weer bij de 4e tel sneller bij jou ben.’ Wat dacht Milan wel niet, zomaar iets aan mijn choreografie veranderen waar ik maanden aan had gewerkt? Mijn dansleraar trok zijn schouders op, en zei: ‘Probeer dat dan maar eens.’ We deden het opnieuw, en inderdaad, het ging zo veel beter. Verdorie, waarom had Milan ook altijd gelijk?

Drie weken later, na een lange, vermoeide vliegreis, was het dan zover. Ik had niet goed geslapen vannacht en voelde de spanning. Zenuwachtig stond ik van mijn ene been op het andere te springen. Verdorie, wanneer waren wij nu aan de beurt? ‘Doe nou maar rustig, nog maar twee dansparen.’ ‘Shit! Ik heb mijn oma’s kettinkje niet om. Ik kan niet zonder. Ik moet het gaan halen in mijn hotelkamer!’ ‘Nee, dat haal je niet meer, je kunt het ook zonder dat kettinkje.’ ‘Nee, dat kan ik niet! Het betekent veel voor me, laat me nu langs!’ Milan pakte me bij mijn armen vast. ‘Auw, dat doet pijn!’ Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Je gaat nergens heen.’ ‘The next coupple are Fleur van Huizen and Milan Houten!’ ‘Kom mee, we moeten gaan.’ We liepen naar de dansvloer, en terwijl we glimlachten naar het publiek en de jury, siste ik: ‘Waarom verpest je toch altijd dingen voor mij?’ Hij keek me verbaasd aan, maar kon niks zeggen, doordat we een paar meter apart van elkaar begonnen. En toen was het dan zover, de muziek vulde het gebouw, en we begonnen te dansen. Juist doordat ik zo kwaad op hem was, wilde ik het voor mezelf beter doen. We keken naar de jury, en we lieten niemand onze spanning laten voelen, totdat we van het podium af waren. ‘Nou moet jij eens goed luisteren, verwende meid. Ik leer in drie weken een dans voor jou, omdat ik weet dat je hier al jaren van droomt, en het enige wat jij doet is me afkraken. Ik ben graag bij je, maar zo hoeft het voor mij niet.’ ‘Je bent graag bij me? Nou, daar heb ik dan al die tijd, niks van gemerkt.’ Hij pakte me vast en zei: ‘Snap je dan niet dat ik je al die tijd leuk vond? Maar jij kon me niet uitstaan.’ ‘Maar dat wist ik helemaal niet’, zei ik zachtjes, en sloeg mijn ogen neer. ‘Kom eens hier’ en hij zoende me. ‘Jongens. Jongens!’ Onze dansleraar begon ons uit elkaar te trekken. ‘Luister!’ ‘Where are Fleur and Milan? Where are they? Ah, there they are! They are the winners!’ We kregen beide een boeket bloemen en een beker. Maar ik had veel meer gewonnen, namelijk een heel lief vriendje.

zondag 2 mei 2010

omdat niet alles serieus hoeft te zijn.


Elke sprookje begint met de zin,
'Er was eens.'
Nou, dan begint mijn verhaaltje er dan ook maar mee.








Er was eens een kabouterje.
Je weet wel,
zo'n kaboutertje met een groene overall en een rood puntmutsje.
Hij deed standaard klusjes,
hielp bosbessen versjouwen, maakte van hout kruiwagentjes,
hielp eekhoorntjes met hun voorraadje, te goed verstopt, te vinden.
Hij had een lief kaboutermoedertje,
een beetje streng kaboutervadertje,
en lieve grootouders.
Hij was een standaard kabouter,
en had niets te klagen.

Maar toch, hij wilde niet standaard zijn.
hij wilde niet zomaar het eerste het beste mooie kaboutermeisje met gele strikken in het haar trouwen. Hij wilde eerst de wereld zien, dan die paar meter boomstammen. Dus op een dag besloot hij alles anders te doen, liet hij een briefje achter op een tafeltje in zijn rood wit gestipte paddestoel. 'Lieve vrienden, familie, ik ben weg. Voor een tijdje, een lang tijdje, geen idee. ik ben jullie dankbaar voor jullie bezorgdheid, maar nu ga ik, mijn eigen, vreemde weg. Het ga jullie goed!'

en zo ging hij. Met zijn plunjezak vol gesmeerde broodjes met jam, aan een stokje gehangen, die hij over zijn rug vasthield. Hij was er klaar voor. De zon kwam al op. Hij liep en liep en liep. Hij liep eerst langs alle bekende plekken in zijn kabouterdorpje, de schilder, de bakker en de kapper. Daarna kwam hij op plaatsten die hij alleen nog maar gezien had, als hij hout voor zijn kacheltje moest halen. Steeds verder liep hij, kroop over grassprieten en waste zijn gezicht met dauwdruppels. Toen nam hij pauze, ging hij op een blaadje zitten van een mooie paardenbloem. Een bij landde op de bloem, en de bloem begon te wiebelen. 'hey hallo, kijk een beetje uit, alsjeblieft?!' De bij keek omlaag, 'Is daar iemand?', vroeg hij. 'Ja, ik. Kaboutertje Eigenwijsje.' De bij keek nog eens goed met zijn insectenogen, verrek, daar zat een kabouter. Hij streek naast hem op het blaadje neer. 'Ben jij niet veel te ver weg uit kabouterdorp?' voreg hij. 'Nee hoor, ik ben op onderzoek uit naar de rest van de wereld. Wil je met me mee onderzoeken?' 'Oh nee, ik heb al veel plekken gezien.' 'Oh ja, vertel er eens wat over!' vroeg kaboutertje Eigenwijs met glinstertjes in zijn ogen. De bij vertelde over de mensenwereld vol geurige bloemen, kleine en grote reuzen en veel beestjes. 'Ze leven allemaal op straat, maar je moet oppassen hoor. De reuzen zijn aardig, maar soms ook niet. Ze hebben mijn vriendje bijna doodgeslagen met een heel groot groen ding.' 'Wat voor een ding?' vroeg kaboutertje verschrikt. 'Een vierkant ding met van zo'n gaatjes, en daar zit dan nog een steel aan. Weet je zeker dat je verder wilt gaan?' 'Ja, dat wil ik. Wil je mee?' 'Oh nee, dat kan niet. Ik zie net aan de zon dat ik al veel te lang weg ben, ik had mijn lieve vrouwtje Zwartstreepje beloofd, op tijd thuis te zijn. Maar heel veel plezier en succes!' Met die woorden vloog bijtje B weg. Kabouter Eigenwijsje at een hapje van zijn broodje. Hij had er maar vijf bij zich, maar gelukkig was hij nooit zo'n grote eter geweest, en had hij met vijf broodjes wel genoeg voor vijf dagen. wat hij daarna zou eten, zag hij dan wel. Hij sprong van het blaadje af, pakte zijn plunjezak en liep fluitend door. 'Tududududuuuuuu.' Kabouter Eigenwijsje liep de hele dag door, tot zijn voetjes pijn deden. Hij deed zijn schonetjes uit, haalde de steentjes eruit, en zocht een geschikte slaapplaats. Daar, een holletje, onder die boom. Dat was wel een fijn plekje. Hij pakte twee blaadjes, het ene vouwde hij om tot een kussentje, het ander werd zijn nieuwe dekbedje. Hij legde zijn plunjezakje naast zijn hoofd, en stapte in zijn in elkaar geflanste bedje. Thuis lag het toch beter, maar die gedachte verdong hij maar snel. Het duurde niet lang, of kabouter Eigenwijsje viel in slaap.

wordt vervolgd.

zaterdag 1 mei 2010

reclame, op mathews siteje.

Mijn uitlaatklep. Alle gedachten. Die het waard zijn. Sprookjes. Die zich afspelen in mijn hoofd. Foto's die inspireren. Zoveel dingen. Die ik moet delen. Moet opslaan. Gekluisterd. Aan mijn pennetje en schriftje. Aan de computer. Aan mijn eigen wereldje. Geschreven. In onuitgesproken woorden. In emoties. Die ik niet durfde te tonen. Maar toch eruit moeten.

Ik loop op bloesemblaadjes. Volg de rozengeur. Hoor de wind woorden in mijn oor blazen. Creatief. Anders. Apart. Al mijn eigenschappen. Zijn verweven tussen de mooie, kleurrijke bloemen. Maar toch ik. Dicht bij mezelf. Onveranderlijk. Verhalen. Rijke fanatasie. Altijd.

De radio speelt zachtjes. Mijn levenslied.

www.carrmeeen.blogspot.com

Jij.

Een persoon. Liefhebbend. Anders. Apart. Zonder raar te zijn. De mooiste woorden gekrast met een zwart pennetje. Vertellen nog te weinig. Het gevoel. Dat ik bij jou heb. Fijn. Een lach. Gemetseld op jouw gezicht. Energie. Zo'n positieve energie. Glinsterende ogen onder. Gesloten oogleden. Genietend. Dromend. Verlangend. Op zoek. Naar de waarheid. Achter al die leugens om je heen. Ben niet bang. Ben niet afgeschrikt. Hij bestaat nog. De hij. De ware. Hij is er al. In al je dromen. Ja, ik help je. Te vinden. Te zoeken. Te lachen. Ik wil het. Ik wil er zijn. In je weinige boze buien. En in je verdrietige. Zit ik verstopt. Zorgend voor toch een beetje. Beetje positiviteit. Mijn telefoon staat aan. Altijd aan. Als er iets is. Met jou. Ben ik er. Dat weet je. Nooit gedacht. Nooit gehoopt. Zo'n fijn iemand. Te mogen ontmoeten. Dingetjes mee. Te mogen delen.

Jij. De zonneschijn van al mijn donkere dagen.

een grote vriendschap, tussen kleine persoontjes.

Een klein jongetje met grote ogen valt me op. Hij fietst op zijn peuterfietsje op straat, en probeert me bij te houden. Ik glimlach naar hem, waarnaar hij zijn ogen neerslaat. Hij is gekleed in een donkerblauwe, versleten jeans, een rood shirtje dat maar half in zijn broek is gestopt en zijn schoenen zijn stevig vast gemaakt met klittenband. Hij is neergezet op straat, gedumpt door zijn ouders, die genoeg hadden van zijn energiebossten en het even rustig in huis wilde hebben.

Op de automatische piloot pak ik de krantjes uit mijn handen, en vouw ze om. Een voor een, elke paar meter weer opnieuw. Hij blijft me volgen, dat vierjarig knulletje. En dan opeens gooit hij zijn fiets neer, ik schrik op uit mijn muziek die me altijd zo trouw blijft. Hij loopt met zijn blonde krulletjes naar de deur, waar ik net mijn Landgraaf Koeriertje inclusief reclamefoldertjes in heb gegooid. De houten deur wordt vergezeld door een meisjesfiets, een kapotte brievenus en onkruid. Toch loopt het jongetje door, kijkt om zich heen, en drukt op de bel. 'Dingedong.' Het geluid echoot, door mijn eigen soulmuziekje heen. Ik blijf staan, wachtend op wat komen gaat. Hij drukt nog eens op de bel. 'Dingedong.' Zijn geduld is indrukwekkend. Hij haalt zijn knuisjes uit zijn broekzakken, en steekt ze dan door de kapotte brievenbus. 'Hallo?' 'Kom je buiten spelen?' Het blijft angstig stil aan de andere kant van de deur.

Aan de andere kant van het land, zit een meisje met springerige, rode haren in de auto tussen de koffers. Ze staart uit het raam. 'Mama? Wanneer zie ik Tommie weer?' Haar moeder kijkt om, ze kijkt haar jongste dochter eens goed aan. 'Niet vaak meer meisje, we zitten nu heel ver van hem vandaan. Ik weet niet of je hem nog eens zult zien.' Een traan druipt over haar wangen, meerdere volgen. 'Maar mama, met wie kan ik dan nog buitenspelen?' 'Er zullen in Amsterdam ook wel kindjes zijn waarmee je kan spelen, maar ik denk dat je dan niet meer kunt buitenspelen.' 'Waarom niet?' Het meisje kijkt met haar bruine ogen verschrikt op, niet alleen haar vriendje, maar ook haar vrijheid wordt nu zomaar in een keer afgepakt. En dat alleen, omdat papa voor zijn werk ergens anders moet gaan werken. 'Daar is het heel druk op straat, gevaarlijk. Maar je nieuwe vriendjes, die je vast en zeker zult maken op je nieuwe school, zijn altijd in ons huisje welkom. Kijk, we zijn er bijna. Nog maar tien kilometer!' Het is niet eerlijk, haar moeder en vader genieten ervan en kijken vol enthousiasme naar de blauwe borden, die vertellen dat ze steeds dichterbij komen, en haar wordt niks gevraagd. Ze vraagt zich af hoe het nu met Tommie zal zijn.

Het jongetje loopt langzaam terug naar zijn fietsje, waar is zijn leuke vriendinnetje Saartje, met haar mooie, rode haren? Ik kijk hem na, hij gaat naast zijn fiets op de stoep zitten. Ik loop terug, naar het eenzame huis. Een briefje prikt op de deur, waar ik net niet op gelet had. 'We zijn verhuisd naar Amsterdam, stuur post op naar het volgende adres.' Ik loop terug, en zet me naast het jongetje neer. Hij wil eerst weglopen, maar besluit om dan toch maar te blijven zitten. Ik doe mijn tassen af, veeg mijn inktzwarte handen aan mijn broek af en zucht. 'Zoek je iemand?' 'Ja, ik zoek mijn vriendinnetje Saartje, ze doet maar niet open.' 'Hmm, kun jij al lezen mannetje?' 'Nee, hoezo?' Ik herhaal de woorden van het papiertje. Zijn ogen worden waterig, en ik sla een arm om het wildvreemde jongetje heen. Een plaatje. 'Weet je wat je wel kunt doen?' Ik fluister hem een paar dingetjes in zijn oor. Een glimlach verschijnt op zijn gezicht. 'Ja, ja! Dat ga ik doen, ik ga het meteen aan mama vragen!' Hij staat op, zegt nog snel dankjewel en rent naar de overkant.

Het meisje zit aan haar raam, ze kijtk naar buiten, naar de drukke straten. Ze voelt zich alleen. Ze heeft geen fietsje waarmee ze de straat op en af crosste, geen springtouw, geen vriendjes om haar heen. Ze slaat haar armen om haar knieen. Bah, ze vindt het helemaal niet leuk hier. 'Saar, Saartje, waar ben je?' 'Als het voor koffers uitruimen is, dan doe ik niet mee. Ik heb al genoeg opgeruimd.' 'Nee nee, het is iets anders. Iets speciaals voor jou is gekomen.' Iets speciaals, voor haar? Ze rent de houten trap af. Daar ligt op de tafel een brief, gericht aan haar. 'Hoi Saartje, ik kan nog niet schrijven, maar mijn mama heeft dit voor mij geschreven. Ik mis je heel erg, maar mama heeft een plannetje. Zou je in de zomervakantie bij ons willen logeren? Dan gaan we heel vaak fietsen en buiten spelen. Dan moet je dat wel eerst even aan jouw mama vragen, maar van de mijne mag het. Tot snel! Groetjes Tommie.' 'Mama, mag ik?' Hara moeder ziet de glinstertjes, die ze zo lang niet meer heeft gezien in haar dochters ogen, en zegt: 'Als papa het goed vindt, dan mag je gaan.' 'Jaaaaaa! Mag ik nu Tommie bellen?' Ze rent, zonder op het antwoord te wachten naar de telefoon.

Samen glunderen ze weer, gescheiden, aan de andere kant van het land.
En ik?
Ik ga door met blaadjes rondbrengen.