dinsdag 27 april 2010

Loslaten.

Op haar tenen, met haar armen om zijn nek gewikkeld, zoende ze hem. Ze zoende hem, alsof hun leven er van af hingen. Dat was ook zo. Ze voelde het. Er was iets gebeurd, iets anders dan normaal. Er was iets aan hem veranderd, of was zij het? Wat het ook was, wie het ook was, het dreef hun uit elkaar. Die twee personen, die zonder elkaar niets voorstelden.

Niemand hoefde hen te vertellen hoe verschillend ze waren. Zout en peper, regen en zonneschijn, zwart en wit, ze hadden het allemaal al gehoord. Lachten om alle nieuwe verzinsels, alle nieuwe vergelijkingen. Ja, ze waren anders dan elkaar, ze verschilden als dag en nacht. Maar was dat een reden om alles te laten gaan, alles wat ze deelden? Nee, ze vulden elkaar aan, maakten elkaar onuitgesproken zinnen af. Ze waren het voorbeeld van een gelukkig koppel, stelletje. Geen gebreken, geen barsten, niks. Gewoon, samen, gelukkig. Genieten van elkaar, elke vrije minuut die ze hadden, besteden ze aan elkaar. Het was vanzelfsprekend aan wie ze dacht, wanneer ze een grote glimlach op haar gezicht vertoonde. Vriendinnen plaagden haar ermee, deden haar grote smile na, het maakte haar niks uit. Ze lachte maar mee, ze was nu eenmaal gelukkig. Vlinders maakten koprollen in haar maag, gingen in achtbanen, speelden tikkertje. Hij vertelde aan al zijn vrienden hoe fijn hij het haar had, hoe hij genoot van haar grote glimlach en haar glinsterde ogen wanneer ze een verhaal vertelde. Zelfs vreemden kregen zijn lof over haar te horen. Hij vertelde het aan iedereen, die het maar wilde horen. Ja, hij hield van haar. En ja, zij hield ook van hem.

Een wisseling kwam, een andere versnelling, waar ze beide niet voorbereid op waren. Een barst in het kopje, waar ze beide uit dronken. Een duiveltje op de hoek van hun schouders meekijkend, meefluisterend. ‘Nee, het is niks, alles verandert dadelijk toch.’ Ze hadden het altijd al gehoord, maar nu werd het nog eens extra geaccentueerd. Nog eens extra erin gestampt, het bleef zich maar herhalen. Ze begonnen het langzaamaan vanzelf te geloven, het was niets, werd niets. Ja, ze voelden het beide aankomen. Langzaam, geleidelijk, maar het was er. Het kleine duiveltje begon steeds harder te spreken, bijna te schreeuwen. Ze hoorden het beide, en begonnen zich langzaam te ergeren aan elkaars verschillen. Dat wat hun vroeger juist verbond, bleek nu hen uit elkaar te drijven. Haar slordigheid begon hem te irriteren, zij kon niet meer tegen zijn verlegenheid. Het kopje vertoonde steeds meer barsten. Iedere minuut die ze eerst samen doorbrachten, veranderen in een paar keer per week. Tegenzin kwam ook om het hoekje kijken. Ze voelden het, de dinsdag dat ze elkaar zagen. Het zat er aan te komen, maar toch wilden ze et niet tot zover laten komen. Het touwtje niet op het laatste moment loslaten, de regen niet al laten vallen, als er toch nog een beetje zonneschijn te zien was.

Op haar tenen, met haar armen om zijn nek gewikkeld, zoende ze hem. Ze zoende hem, alsof hun leven er van af hingen. Ja, het was over, maar het was goed zo. Ze liet hem langzaam los, ging weer op haar voeten staan. Ze keken elkaar nog een keer aan. ‘Goodbye’ fluisterden ze elkaar nog in elkanders oor, voordat ze zich beiden omdraaiden en hun eigen, andere wegen opwandelden.

Tranen mengen zich.

Een onzuivere huid, bloeddoorlopen ogen en een zoemende hoofdpijn, allemaal herinneringen aan een weekend vol teleurstellingen. Zelfs het scheermesje helpt vandaag niet mee, en laat rode striemen op mijn benen achter.

Misschien zijn de nachten nog wel het ergst. Dan kan ik de harde stemmetjes van mijn grijze hersenmassa niet meer onderukken door harde muziek, onnozele series of gemaakte vrolijkheid.

In de douche spoelen waterdruppels vrolijkheid van me af, en nemen ze mee naar het afvoerputje. Ik doe geen poging om ze te redden, maar laat mijn tranen samenvoegen met de andere druppels die van mijn lichaam afstromen. Ik laat het toe. Ik sta zonder enige beweging in de douche, zonder reactie, zonder mijn uitdrukking te veranderen. Nieuwe druppels wanen zich een weg door mijn haar. Ik pak een bruine pluk op en kijk hoe de druppels vallen op mijn nog-een-beetje-bruin-van-de-vorige-zomer buik. Hoe ze mijn navel trotseren, via mijn been, langs mijn tenen hun weg afleggen.

Ze nemen mijn dromen mee, mijn grootste dromen. Maar mijn creativiteit, geluk, expressie worden van me afgepakt. Zomaar, in een keer, verdwenen in het afvoerputje.

Precies een etmaal geleden, ging alles gewoon zijn vrolijke gangetje. Maar die ene gebeurtenis was als het ware dat ene tikje. Dat ene tikje waardoor alle dominosteentjes omvallen. Na dat tikje kun je niks meer voorkomen, niks er meer aan doen, sta je stil.

Mijn leven is omgevallen, ingestort en het enige wat ik kan doen is toekijken, schade proberen te beperken. Alhoewel dat laatste vrijwel hopeloos is.

zondag 25 april 2010

Door jou.

door jou,
verdrink ik in mijn tranen,
verstik in mijn woorden,
en beweegt mijn lichaam ook niet meer zoals het moet.


lopend door het donker,
op zoek naar een lichtje,
onvindbaar.

moeizaam vooruit,
nietwetend waarop nog te hopen,
waarom nog te dromen.

in de wilde weg,
veeg ik mijn tranen weg,
wetend dat ze terug komen.

Tissues weggegooid,
emmers overvol,
gestopt met wegvegen.

woorden verbrijzelen me,
grafiet en klei krassend,
ze worden pas werkelijkheid op papier.

'Lief dagboek,
zomaar, ineens,
was het over.'

herinneringen blijven komen,
hoe vaak ik ze ook probeer te onderdrukken,
ik zie je steeds weer voor me.

dagen dat we elkaar uren spraken,
genoten van elkaar,
tijd onze grootste vijand was.

je verstopte je,
achter een masker,
fakete er wat op los.

je profiteerde van mij,
van mijn gevoelens,
gebruikte ze.

je bent mijn woorden,
mijn tranen,
niet waard.

maar toch,
waarom,
waarom doet het dan zo'n pijn?

Hopend op een reactie van jou.

Ik hoop eigelijk,
dat je morgen zegt:

'Nee, het was allemaal een grapje.
Ik kan niet zonder je,
dat weet je toch?
Ik wil je gewoon weer kussen.
Ik wil je gewoon weer in mijn armen hebben.
Samen genieten van uitzichten, van vrijheid,
van elkaar. Ik heb tegen iedereen gezegd hoe fijn het met jou is, hoe blij ik met jou als vriendin ben, dat vergooi ik niet zomaar. Het ging wat snel, maar wat zou het?'

Ik hoop dat je het allemaal zegt,
dat je met tranen in je ogen bekent dat je niet zonder me kunt.
Maar ik weet eigenlijk zeker,
dat alles tussen ons voorbij is.

zaterdag 24 april 2010

Het is voorbij.

Tranen druipen over mijn wangen.
De vraag 'waarom?' spookt door mijn hoofd.
Samen met al mijn herinneringen aan jou.
alles wat ik zie, voel, hoor,
herinnert me aan jou.

Ik snap er niks van,
opeens alles over,
alles voorbij.

Gewoon zomaar,
op een zaterdagavondje.

Definitie zoekend.

Ze had iets. Mensen bewonderen dat 'iets', wilden er een definitie voor zoeken.

Waren het haar grote ogen die altijd levenslust uitstraalden, was het de onschuld in haar woorden, haar krullen die elke kant opsprongen? Haar rijke fantasie, haar huppels, de kracht die ze in zich had om gelukkig te maken? De rust en zorgeloosheid die ze uitstraalde, haar nieuwsgierigheid, haar voorliefde voor alles met streepjes, strikjes en sterretjes? Haar kledingkast vol jurkjes en rokjes, haar ongerustheid om anderen, haar hart vol liefde?

Ik bewonderde haar,
om de woorden die ze sprak,
de manier hoe ze in haar leven stond,
met beide voeten op de grond,
maar toch,
dromend.

Ze was zelf nergens bewust van, wist niks van dat 'iets'.
Ze wist niet dat mensen het over haar hadden,
maar leefde door, elke minuut weer.
Misschien was dat wel het mooiste, was dat de definitie.
'Iets' hebben, zonder te weten dat je dat 'iets' hebt.

Zij is de definitie van 'iets',
waardoor mensen naar haar móeten kijken.
Dat meisje,
dat de definitie van 'iets'
verdient.

weggegooid.

Afgestoten,
verlaten,
weggegooid.

wegrottend,
na jaren verslaving,
alleen.

vervaagd,
kleurverschil,
terecht.