maandag 9 januari 2012

Toekomstmuziek.

Ik houd ervan hoor. Dromen. Denken. Dwalen. Uren, soms zelfs dagen vul ik ermee. Vervallen in het niets, in een onherkenbare barrière. Een wereld, waar de grootste creaties van mijn hand mogelijk zijn. Waar de regels niet verder reiken dan ‘alles mag’. Gedachtes die oneindig diep vallen om net wanneer ze op het punt staan door de grond verplettert te worden, opgepakt te worden door de zucht van mijn wind die ze een nieuw leven inblazen. Daar houd ik van.
Maar tegelijkertijd beangstigt het me. Dromen zijn tijdloos. Realiteit niet. Terwijl de wereld doordendert als een razende trein, sta ik stil op een landweggetje dat zijn eindstation niet kent. De wereld leeft. De wereld ontwikkelt. De wereld revolutioneert. De wereld weet wat ‘ie wil.
Ik niet. Sprookjes spelen zich af in mijn hoofd, gekluisterd aan mijn eigen wereldje in onuitgesproken woorden terwijl ik loop op bloesemblaadjes en praat met kikkers die in prinsen veranderen. Hoezeer is het mogelijk? Hoezeer brengt het je ergens? En hoezeer is dat belangrijk? De dromen zijn mijn toekomstmuziek, de feestjes van al mijn dagen.

donderdag 5 januari 2012

Voor Michael.

Haar schoenen knerpten over het warme asvalt. Haar haren zwaaiden mee met elke stap die ze zette. Dus zo voelde het, om vrij te zijn. Al tijden lang droomde ze hiervan. Een marathon lopen. In New York. Voor een goed doel, voor haarzelf. Jarenlang had ze gedroomd, maandenlang getraind, dagenlang gewacht. Nu was het dan zover. Voordat ze het goed en wel besefte rende ze al de longen uit haar lijf.
Ze hefte haar hoofd en plotseling zag ze in een flits een man. Haar man. De man die haar altijd lief had en die zij al zo lang adoreerde dat ze niet eens meer wist hoe lang het geleden was dat ze voor het eerst vlinders in haar buik voelde wanneer ze hem zag. Hij glimlachte. In een poging om zijn gezicht nog te zien, draaide ze haar hoofd en hoopte dat hij haar wijdbrede lach nog gezien had.

Steeds verder liep ze , terwijl ze haar hoofd probeerde vrij te maken van alle gedachtes die erdoor spookten. Haar bruiloft, het krijgen van haar kinderen maar ook het verliezen van haar broer. Haar veel te vroeg gestorven broer Michael. Terwijl ze sneller rende, ontstond er een traan in haar linkerooghoek. Ze veegde hem kwaad weg. 'Waarom?' vroeg zich al sinds zijn dood af. Ze herinnerde zich nog het moment dat hij met haar over de ziekte, die ze bij hem geconstanteerd hadden, praatten. Een woord, zes letters. Ze kon het woord toen bijna niet over haar lippen verkrijgen, ook al kreeg ze het later maar al te vaak te horen. Kanker. Waarom? Haar broer was een sterk iemand, een persoon waar iedereen ontzag voor had. Ze hoorde hem aan de telefoon lijden.
Het jaar dat daarop volgde was hectisch in elk opzicht. Terwijl ze in verwachting was van haar tweede kind, volgden er de chemokuren van haar broer. Ze hield zijn hand vast, wanneer hij weer eens sprak over de toekomst. Over hoe alles beter werd. Over hoe hij een goede oom zou zijn. Ze besloot dat niemand beter dan hij de peetoom van haar tweede kindje zou zijn.
Zeven maanden later werd in hetzelfde ziekenhuis waar haar broer zich op dat moment ook bevond, haar tweede zoon geboren. Michael. Ze herinnerde zich de dag van gisteren dat haar broer zijn naamgenoot zag. Hij huilde. Hij lachtte. Hij danstte. De levensvreugde die hij altijd met haar deelde, leek nu groter dan ooit tevoren.
De schrik was dan ook des te groter, toen twee maanden later haar broer te horen kreeg dat hij niet langer meer van het leven kon genieten. Beiden huilden urenlang en vertelden verhalen over vroeger. Vroeger, toen het woord van zijn ziekte nog niet in hun vocabulaire voorkwam. Wekenlang bezocht ze hem, terwijl hij in bed lag, met haar twee kinderen, aan wie hij verhaaltjes voorlas met trillende stem. Elke dag ademde hij zwaarder. Toen de telefoon op een donderdagavond om drie uur 's nachts rinkelde, wilde ze niet opnemen. Ze was bang dat zij de woorden die zouden volgen na de begroeting niet aankon. Haar man nam op en werd lijkbleek. Ze huilde.

Vier jaar later rende ze nu hier. De marathon die haar broer en zij altijd hadden willen rennen. Samen. Deze rende ze alleen voor het Kankerfonds. Ze bleef rennen en rennen totdat ze de eindstreep tegemoet zag komen waar ze uitgeput en huilend in de armen van haar man rende. 'Voor Michael' zei ze. 'Voor Michael'.

maandag 5 december 2011

red hem, red haar.

Terwijl de wind guur waait en ze haar donkerblauwe jas iets steviger om zich heen trekt, loopt ze met opgeheven hoofd sneller en sneller. Haar lange krullen zwiepen langs haar hoofd, haar ogen knipperen vaker dan normaal. Ze trekt een klein beetje met haar rechterbeen en haar make-up is allesbehalve perfect. Druppels biggelen langs haar wangen. Weg, moet ze. Op zoek naar een vervoersmiddel, een bus, die haar kan wegbrengen, naar een plaats hier ver vandaan. Zijn woorden deden haar allang niks meer. Maar zijn handen raken haar steeds meer. Er is geen ontglippen aan. Diep in gedachten gezonken struikelt ze bijna. Waarom, deze vraag, deze zes letters blijven maar door haar hoofd dwalen. De tijden van geluk met hem, kan ze al niet meer herinneren. Perfectie brokkelt af. Net als haar leven.

zondag 27 november 2011

Verbroken.

Waarom zie ik nu pas in,
(op een donkere en koude zondag)
dat jij mij al achterliet,
voordat je daadwerkelijk weg was?

De klank in je stem klonk,
anders dan ik me kan herinneren,
anders dan je was,
verdriet maakt nu pas plaats voor besef.

Uit het hart kwam eerder,
dan uit het oog,
de veranderingen die jij nodig vond,
hebben je gebroken.

Verbroken van de liefde,
verbroken van de vriendschap,
verbroken van alle regenbogen in je leven,
verbroken van mij.

De nachtenlange nacht

Terwijl de maan zegeviert en
zijn stralen laat vallen op haar
lijkbleke gezicht,
raakt zij in een reflex
het water onder haar
aan,
waardoor haar spiegelbeeld vertroebelt.

Zwart water.

Terwijl de kraaien kraaien en
de bomen gewiegd worden
door de wind
staat zij daar
gevoelloos
te staan.

Gescheurde blikken.

maandag 22 augustus 2011

Ze opende haar ogen. En sloot ze meteen weer. Het licht was te fel. Het licht had ze al eerder gezien. Al hoefde ze er deze keer niet bang voor te zijn. Dat hoopte ze tenminste. Ze knipperde met haar ogen en probeerde door haar wimperharen iets te zien. Wit. Ze bevond zich in een kamer waarin ze alleen maar wit zag. De muren, de vensterramen, het bed. Zelfs haar voeten, waarmee ze langs haar benen streelde die ze nog nauwelijks voelde, leken geen tikkeltje pigment meer in zich te hebben. De vragen en hersenkronkels bewogen zich in haar hoofd als een zeekwal. Ze leek geen controle meer over zichzelf te hebben. Welke datum was het eigenlijk? Hoe lang lag ze al te liggen in dit bed? Een ding wist ze zeker, hoe dat zo kwam wist ze eigenlijk niet, maar ze had het gevoel dat ze nog wel heel lang in dit bed bleef. Als ze er niet al jaren in lag. Ze moest denken, zichzelf in de hand houden voor de beelden die ze ooit opgeslagen had. Ze keek naar rechts. Een wit kussen. Wat had ze dan ook verwacht. Ze sloot haar ogen. Misschien herinnerde ze zich wel hoe ze hier terecht was gekomen, als ze haar ogen sloot. Misschien dwaalden de voorheen niet belangrijke, opgeslagen beelden dan wel ineens voor haar ogen, haar naam bijvoorbeeld. Zonder naam voelde ze zich maar een wit mens, dat opgaat in een witte kamer. Ook al was ze dat. Haar naam, wist ze maar haar naam. Opeens leek er niks belangrijker. Identiteit. Gek genoeg was ze niet woorden verloren, maar beelden. Ze proefde haar tong. Droog. Ze probeerde een klank. Niets. Nog eens. Waarom hield haar lichaam haar tegen te leven? N. A. A. M. Vier letters, maar te moeilijk blijkbaar. Opeens voelde ze zich moe. Ze voelde zich wegzakken, alsof ze uit haar leven stapte. Opnieuw.

woensdag 27 april 2011

Hij was verliefd op zijn vrijheid.

Terwijl het zweet van zijn voorhoofd afgutste, legde hij zijn hand om zijn koele bierglas heen en nam een slok. Hij keek, nadat hij zijn nu halflege glas neerzette, bedenkelijk naar de naam van het café waar hij zich bevond. ‘Nooitgedacht.’ ‘Sorry, zei U iets meneer?’ De ober keek hem vragend aan, terwijl hij de rekening aan hem presenteerde. ‘Nee niets, dank U, ik was even in gedachten verzonken.’ Hij legde de muntstukken neer op de houten tafel, voordat hij zijn stoel aanschoof en met zijn fietshelm naar de uitgang snelde. Het café zag er van voren nog precies zo uit, zoals hij het zich herinnerde. Een heel jaar was al voorbij, hij herinnerde het zich alsof het gisteren was.

Ze zat op de boulevard. Haar bruine benen bungelde over de railing, haar krullend haar bewoog mee met het ritme van de wind. Ze betoverde hem, al voordat hij haar gezicht gezien had. Alsof ze zijn gedachten had gehoord, draaide ze haar hoofd naar zijn richting. ‘Heerlijk weertje, vind je niet?’ Versteld van haar openingszin, kwamen zijn eerste woorden naar haar er maar wat schuchter uit, terwijl hij snel zijn fietshelm van zijn hoofd haalde. Later hoorde hij dat zij dat juist het leukste aan hem had gevonden. Hij kwam naast haar zitten en hun woorden deinden mee op de golven van de zee onder hen. Zonder het te beseffen veranderde de lucht om hen heen en begon het grote druppels te gieten. Zij pakte haar schoenen en hij pakte haar hand voordat ze het op een rennen zetten. Het eerste de beste café renden ze naar binnen, druppels veegden ze van hun gezichten af terwijl de lach die op hun gezichten al sinds het begin van hun ontmoeting gemetseld was, steeds groter werd. ‘Café Nooitgedacht, wat een toepasselijke naam’ grapte ze, terwijl ze haar natte haren op haar hoofd vastbond. Tijd verstreek, steeds meer drankjes werden naar hun tafel gebracht en vergelijkingen vielen. Tegen de avond stapten ze op, alleen maar omdat ze beseften dat de zon al lang was ondergegaan. Ze trilde, terwijl ze haar eerste stappen sinds uren weer buiten de deur zette, hij legde zijn jas en tevens zijn arm over haar schouder. Zo liepen ze samen hun toekomst tegemoet, dacht hij.

Scheurtjes vertoonden zich steeds vaker in hun relatie, die zo snel van start was gegaan. Ze waren samen op vakantie geweest, werden vergeleken met het perfecte koppel en woonden na acht maanden samen. De grote hoop liefde die ze elkaar eerst te bieden hadden, brokkelde langzaam af. Ruzies ontstonden over nutteloze dingen, geïrriteerdheid sloeg zijn slag. Beide hadden de breuk zien aankomen. Op de dag dat hun relatie eindigde regende het, net zoals op de dag van hun begin.

Hij pakte zijn racefiets, net zoals een jaar geleden, zette zijn rode fietshelm op en fietste zo hard als hij kon over de duinen van zijn geliefde dorp. Hij besefte nu pas waar zijn passie lag. Hij was verliefd op zijn vrijheid, omdat deze hem ten alle tijden vreugde gaf.