zondag 27 juli 2014

Toneelspel

"Wat is het nut daarvan?" vroeg hij aan haar. "Het nut?" Ze fronstte haar voorhoofd, waardoor er die ene denkrimpel ontstond die ze zelf altijd zo verafschuwde. "Waarom moet het nuttig zijn?" Ze keek hem aan, maar hij zweeg. Dat deed hij vaker. Toch was haar voorstel niet zo heel afwijkend geweest.

"Nog een wijntje bij mij thuis doen?" Voor ze het wist, had ze al toestemmend haar hoofd geknikt. Deze jongen intrigeerde haar. Ze wilde hem leren kennen, zo goed mogelijk. Dat dat nog een hele taak zou zijn, wist ze. Maar wat zou het plezier er anders van zijn? Ze hield er altijd al van om mensen te bekijken en hun werkelijke persoonlijkheid uit hun bewegingen, stemgeluid en gedrag te halen. Mensen waren toneelspelers in haar ogen, maar als regisseur had zij ze allemaal door. Totdat deze jongeman opeens op haar toneel verscheen. Zijn stem viel haar als eerst op. Diep en donker klonken zijn woorden: "Oh, sorry." Als eerste voelde ze de inhoud van zijn drankje op haar net gekochte blouse, daarna merkte ze pas zijn indringende blik op. Ze was niet snel van slag door een man, dat had ze meteen aan het begin van haar baan als modefotograaf afgeleerd, maar dit exemplaar gaf haar kippenvel. En dat kwam niet door het koude bier dat richting haar buik naar beneden droop.

"Jeetje, dat snap je toch ook wel." Na vijf minuten stilte, sprak hij dan eindelijk. Er volgde zelfs een tweede zin. "Hoe kan jij nou leven met jezelf zo?" "Zo heb ik het altijd gedaan. Ik bind me niet. Ik zwerf van persoon naar persoon." "Voel je dan nooit wat?" Ze keek hem verrast aan. "Ik wil alleen maar zijn en leven, samen met jou." "Oh." Hij was niet blij met haar antwoord dat uit twee letters bestond. Ze hoopte dat hij al eerder had begrepen dat het niets ging worden, nooit iets was geweest ook. Natuurlijk, het gezelschap was fijn geweest. Er had vaker lichamelijk contact tussen beiden plaats gevonden en ze had ervan genoten, maar dat was het dan ook. Binden deed ze niet. Daarvoor kwetste ze mensen veel te vaak. Dat probeerde ze dan ook aan hem uit te leggen. Ze legde haar hand in haar nek. "Je bent niet de enige. Dat zul je nooit zijn ook. Zo zit ik niet in elkaar." "Kun je niet gewoon proberen om van me te houden?" Ze probeerde een zucht te onderdrukken. "Houden van ken ik niet." "Kun je het dan niet voor me proberen?"

Wat hij erna zei, verstomde met de geluiden van het verkeer. Weglopen was waarschijnlijk niet het meest volwassen van haar, maar ze zag geen andere oplossing. Ze had al zo vaak zulke gesprekken gevoerd en ze eindigden altijd hetzelfde. Ze moest nog werken en kon zich niet veroorloven om afgeleid te worden door gevoelens van anderen. Eigenlijk had ze daar nooit tijd voor.

Ze was zijn straat nog niet uit, of ze botste al tegen iemand op. "Hallo." klonk het diep en ze wist meteen al dat een van beiden vanavond de wijn koud moest zetten.

woensdag 18 juni 2014

Vreemdeling.

Zodra ik hem in zijn spijkerblouse zie zitten terwijl ik quasi-nonchalant aankom op een veel te grote, geleende fiets van mijn huisgenoot, weet ik al dat het goed zit. Een mooie avond. Een herinnering voor twee onbekenden.

Hij neemt me mee naar een plekje aan de Waal dat zo mooi is dat ik de neiging moet onderdrukken om mijn telefoon tevoorschijn te pakken en het te fotograferen. Ik onderdruk het, want de schoonheid en voornamelijk het gevoel ervan is vast en zeker niet in beelden uit te drukken, laat staan in een achteloze Instagram foto.

We vertellen verhalen. Over onszelf, ons leven, onze verlangens en ook onze -misschien wel ingestudeerde- grappen om het gesprek nog een beetje luchtig te houden. Ik betrap me erop dat ik glimlach als hij een verhaal vertelt terwijl hij tegelijkertijd naar de langsvarende boten staart. Ik schuifel zelfs centimeters dichterbij om geen enkel woord dat hij produceert te missen.  Maar goed ook, want juist op het moment dat ik hem aankijk, schijnt de zon op hem neer en laat deze zijn groene ogen zo mooi schitteren dat ik mijn adem even inhoud.

Ik heb wel vaker met mensen gesproken -ik ben immers geen kluizenaar- maar het lijkt of de woorden die hij spreekt, meedeinen op het ritme van het kabbelend water voor ons. Deze vreemdeling intrigeert me. Van de studie die hij volgt tot de toekomstplannen die hij heeft. En zelfs al zou ik hem nooit meer zien, dan nog zal ik het beeld van het zand in zijn verwilderde haren blijven herinneren, het beeld dat ik zag vlak voordat mijn mond de zijne raakte.

donderdag 22 mei 2014

Zingen om zomerdagen.

Ze tikt de as van haar sigaret voordat ze nog een teug neemt.
Haar gedachtes malen in het rond.
Het lijkt of deze haar optillen om haar daarna weer zonder pardon op het asfalt neer te storten.
Gebroken.

Ze rilt.
Haar dunne zomerjas houdt de kou niet buiten maar verbergt wel de gekleurde plekken, die ze overhield na een avondje ruziën om een koud geworden pizza. 
(Pizza. Dat zou ze nu wel lusten.)
Helaas zit ze vast.Vast in haar gedachten, vast in de plek die haar dwingt te zijn zoals ze niet is. 

Dansen wilt ze. Zingen.
Haar jas wegwerpen om de zon op haar huid te voelen.
Zomersproeten creëren, wakker blijven tot het ochtend wordt maar vooral lachen.
Zo hard lachen dat de rest van de wereld het geluk in haar stem kan horen. 

Nog een sigaret, dan moet ze weer naar binnen.
Terug naar de werkelijkheid waar elke klank een nare echo met zich meedraagt.
Terug naar een plaats die haar doet beven van angst. 
Was het maar alvast zomer. 

maandag 5 mei 2014

De laatste keer.

Daar lag ze dan. De zo sterke en energieke vrouw die ze was, voordat het woord 'kanker' in haar leven kwam, lag lijkbleek in de toch al zo witte lakens. Ze kuchte en ook al zei ze het niet, ik kon de pijn die het haar deed zelfs voelen. Ze fluisterde. Of ik dichterbij wilde komen. Ik pakte haar hand, zoals ik zo vaak eerder had gedaan wanneer ze haar levenslessen met me deelde. 'Luister meisje.' zei ze liefkozend. 'Ik heb niet lang meer.' Een traan gleed langs mijn linkerwang. Ik veegde hem boos weg. 'Dat moet u niet zeggen.' Ze kuchte weer en dit keer duurde het iets langer voordat ze adem had gevonden om woorden uit te spreken. 'Je kunt jezelf wel wijs maken dat ik het eeuwige leven heb, maar dat heb ik niet. Ik heb een mooi leven gehad. Het is goed zo. Ik zie dadelijk je opa weer, en je weet hoe lang ik daarop heb gewacht.' Ik knuffelde haar. Ik knuffelde en kuste haar voorhoofd, alsof er nooit meer een dag kwam dat ik dat kon doen. 'Ik hou van u' waren de enige woorden die ik nog verstaanbaar kon uitspreken, omdat mijn tranen de rest verstikten. 'Beloof me dat je voor je zusje en ouders zult zorgen. En dat je altijd open staat om lief te hebben.' 'Ik beloof het' fluisterde ik in haar oor, terwijl ik me langzaam terugtrok uit haar omhelzing. Niet omdat ik niet langer bij haar wilde zijn, maar omdat ik zag dat haar ogen dicht begonnen te vallen. 'Dag oma.' Ik liep een paar passen voordat ik me nog eens omdraaide om haar nog eens te zien slapen. De laatste keer.

zondag 1 april 2012

Gyromantie

Ze rende, ze stond stil.
De wereld bewoog zonder haar.
Ze strekte haar hand uit naar iemand.
Iemand die haar zou zien,
haar zou begrijpen, haar zou begeren.

Haar hand bleef leeg,
maar haar gedachten stroomden
als water van een bergtop.
Overstroomd, onderspoeld
in hersenspinsels.

Ze draaide urenlang in cirkels,
zonder om te keren
naar de plek waar ze vandaan kwam
Toekomst, waarzeggerij
hielden haar in haar as.

Bossen.

Ik dwaal
ik zoek
in de donkere bossen
die verstrikt zijn
met jouw woorden
jouw uitingen

Zonnen schijnen
bloemen bloeien
handen strelen
voeten dansen
in het bos
dat jij heet

Nieuwe poorten gaan open
sleutels verbroken
wraak vernietigd:
wondere werelden
waar ik voorheen
geen weet van had

Takken verbinden ons
wateren van vrede
bladeren van genegenheid
mossen als woorden
van vriendschap:
de liefde bloeit.

maandag 9 januari 2012

Toekomstmuziek.

Ik houd ervan hoor. Dromen. Denken. Dwalen. Uren, soms zelfs dagen vul ik ermee. Vervallen in het niets, in een onherkenbare barrière. Een wereld, waar de grootste creaties van mijn hand mogelijk zijn. Waar de regels niet verder reiken dan ‘alles mag’. Gedachtes die oneindig diep vallen om net wanneer ze op het punt staan door de grond verplettert te worden, opgepakt te worden door de zucht van mijn wind die ze een nieuw leven inblazen. Daar houd ik van.
Maar tegelijkertijd beangstigt het me. Dromen zijn tijdloos. Realiteit niet. Terwijl de wereld doordendert als een razende trein, sta ik stil op een landweggetje dat zijn eindstation niet kent. De wereld leeft. De wereld ontwikkelt. De wereld revolutioneert. De wereld weet wat ‘ie wil.
Ik niet. Sprookjes spelen zich af in mijn hoofd, gekluisterd aan mijn eigen wereldje in onuitgesproken woorden terwijl ik loop op bloesemblaadjes en praat met kikkers die in prinsen veranderen. Hoezeer is het mogelijk? Hoezeer brengt het je ergens? En hoezeer is dat belangrijk? De dromen zijn mijn toekomstmuziek, de feestjes van al mijn dagen.