Mijn huis is mijn huis niet meer. De verhuizers lopen op en neer om bepaalde meubels mee te nemen. Toch wil ik niet alles meenemen, ik wil in mijn nieuwe huis opnieuw beginnen. Ik klim op een stoel. Ik wil nog even de kast afstoffen. Mijn vingers botsen op iets hards. Ik ga op mijn tenen staan, en kan zo net over de rand van de kast kijken. Een klein, houten kistje staat ver naar achteren geschoven. Ik balanseer op een been en probeer het doosje te pakkken. Ik strek me uit, rustig trek ik het doosje naar me toe. Ik ga weer op twee benen staan en ga zitten. Ik blaas de stof eraf, en voel het eventjes kriebelen in mijn neus. Hastjoe! Voorzichtig pruts ik aan het slotje, dat er breekbaar uit ziet. Voorzichtig, heel voorzichtig open ik het doosje. En dan herinner ik me het weer.
'Sanne, kom je? Jaaa!' antwoordde ze automatisch. Snel propte ze het overgebleven kermismuntje in haar kistje, haar schatkistje.
Al haar waardevolle dingetjes liggen erin, haar eerste uitgevallen melktandje, kralenkettinkjes die ze had gekregen van oma, een mooie sticker van de juffrouw. Maar ook een rood-wit gestipt lintje, een zwart-wit fotootje en een plastic hangertje in de vorm van een kers. Ik kijk naar de spulletjes, de prulletjes. Hoe oud zou ik zijn geweest, toen ik begon met verzamelen? Vijf, zes jaar?
Ze stonden in een kringetje op het schoolplein. 'Ik heb ook een bruidsschat, net zoals in sprookjes.' Acht paar grote ogen keken haar aan. 'Ja, maar niemand mag het weten', fluisterde ze. 'Niemand weet wat erin zit, alleen ik. En later krijgt iemand anders mijn grote schat.' Ze keek spiedend om zich heen, en haalde toen het doosje uit haar tas. 'Kijk.' Ze opende het doosje, de binnenkant was bekleed met een bloemetjes motief. 'Maar waar zijn dan de schatten?' vroegen de meisjes zich af. 'Die mag niemand nu zien. Die zijn voor mij alleen.' Maar wanneer haar vriendinnetjes hun aandacht alweer verloren hadden, pakte ze snel een mooi blaadje van de grond op. Het had een hartjesvorm.
Ik liet mijn vingers over mijn oude schatten gaan. Wat zou ik hiermee doen? Ik pakte een papiertje en schreef daarop mijn verhaal. Over de schatten, en hoeveel plezier ik er van had gehad aan het terugvinden hiervan. Ik vroeg of de nieuwe bewoners dit ook wilden doen, net zoals die daarna, en die weer daarna in mijn huis kwamen wonen.
Zo vond je de geschiedenis van de bewoners, die allemaal een huis gemeen hadden, samen in één doosje. Ik bekeek mijn spulletjes nog een laatste keer, stopte het papiertje in het doosje, en zette het weer terug op zijn oude plekje.
'Ja hoor, hier ligt ook niks meer dat van mij is. We kunnen gaan!'
woensdag 31 maart 2010
dinsdag 30 maart 2010
De torenkamer.
Ik zat opgesloten in een torenkamer. Ik geloofde er niet meer in, ik geloofde niet meer in liefde. Na velen gebroken harten deed ik me de moeite er niet meer voor, ik wilde niet meer vechten. Ik wilde niet meer vechten, om uit dat eenzame kamertje te komen. Ik zorgde wel voor mezelf, en probeerde het kamertje enigzins zo mooi en leuk mogelijk te maken met schilderijen, spelletjes en papier. Veel wit papier. Zolang ik schreef, verging ik in mijn eigen wereldje. Een eenzaam wereldje, dat wel, maar och, wie zou het schelen?
Totdat jij kwam. zorgvuldig zocht je de route uit, door velden, bossen en lange wegen reed je. Op zoek naar mijn huisje, mijn hart. Ik wist het bestaan van jou. Ik hoefde alleen nog te geloven. Te geloven dat je niet overmoedig deed, dat je wel degelijk om me gaf. Dagen stond ik aan het raam, te wachten totdat je me zou bevrijden uit dit kamertje. Het kamertje waar ik al veel te lang tijd in had doorgebracht. De spelletjes konden jou niet meer vervangen. De schilderijen konden me niet meer vrolijk maken, alleen het papier gaf me nog enigzins rust. Omdat alles wat ik schreef, over jou ging.
Jouw gezicht in al mijn dromen zorgde ervoor dat ik bleef hopen, bleef geloven in je. Anderen hadden het allang opgegeven, alleen jij vechtte je door de doornenstruiken. Jij voelde pijn, maar worstelde je er steeds weer door. Op een dag hoorde ik je op mijn landweggetje lopen, de witte kiezels knisperden onder je voeten. Je keek verwachtingsvol omhoog, met de gouden sleutel stevig in je hand. De sleutel van mijn huis, mijn kamertje, mijn hart. Je bevrijdde me uit de torenkamer. Je bevrijdde mijn hart uit het kooitje, maar gaf er zakkenvol liefde voor terug. Ja, ik geloof nu in wachten op de ware, in liefde. Maar ik geloof nu vooral in jou.
Totdat jij kwam. zorgvuldig zocht je de route uit, door velden, bossen en lange wegen reed je. Op zoek naar mijn huisje, mijn hart. Ik wist het bestaan van jou. Ik hoefde alleen nog te geloven. Te geloven dat je niet overmoedig deed, dat je wel degelijk om me gaf. Dagen stond ik aan het raam, te wachten totdat je me zou bevrijden uit dit kamertje. Het kamertje waar ik al veel te lang tijd in had doorgebracht. De spelletjes konden jou niet meer vervangen. De schilderijen konden me niet meer vrolijk maken, alleen het papier gaf me nog enigzins rust. Omdat alles wat ik schreef, over jou ging.
Jouw gezicht in al mijn dromen zorgde ervoor dat ik bleef hopen, bleef geloven in je. Anderen hadden het allang opgegeven, alleen jij vechtte je door de doornenstruiken. Jij voelde pijn, maar worstelde je er steeds weer door. Op een dag hoorde ik je op mijn landweggetje lopen, de witte kiezels knisperden onder je voeten. Je keek verwachtingsvol omhoog, met de gouden sleutel stevig in je hand. De sleutel van mijn huis, mijn kamertje, mijn hart. Je bevrijdde me uit de torenkamer. Je bevrijdde mijn hart uit het kooitje, maar gaf er zakkenvol liefde voor terug. Ja, ik geloof nu in wachten op de ware, in liefde. Maar ik geloof nu vooral in jou.
Een besluit.
Ik kijk naar mijn telefoon, ik staar ernaar. Wanneer, wanneer hoor ik weer van je? Wanneer hoor ik je lieve woordjes weer? De wijzers van de klok gaan te langzaam, ze maken leven realiteit. Weer een minuut voorbij zonder enige aandacht, zonder jou. Ik scroll door mijn telefoonlijst met contacten. Ik stop bij jouw naam. Vijf letters. Vijf letters uit het alfabet die jouw naam vormen. Apart klinken ze niet, maar samen vormen ze jouw naam. Jouw mooie naam. Ik speel met de wisknop. Contactpersoon verwijderen? Ik draai mijn mobiel in het rond. Nee, ja? Toch maar niet, toch maar wel? Je maakt me gek. Je maakt me gek op jou. Ik had dit nooit gedacht, nooit gehoopt, maar het is wel gebeurd. Ik neem een besluit.
Ik zet mijn telefooon uit en probeer me op andere dingen te concentreren. Dan klinkt de bel. Ik ga even snel met mijn hand door mijn haar. Iemand klopt op de deur. 'Ja, ja, ik kom!' Ik pak de sleutel uit mijn tas en loop de trap af. ik steek de sleutel in het slot en draai hem om. Ik draai aan de deurknop. En daar staat hij. Zomaar, voor haar eigen deur. 'Ik bleef je voicemailbericht maar afluisteren. Over en over. Totdat mijn beltegoed op was. Toch bleven je woorden hoorbaar. Hoorbaar in mijn gedachten. Ik hou ook van jou.'
Ik zet mijn telefooon uit en probeer me op andere dingen te concentreren. Dan klinkt de bel. Ik ga even snel met mijn hand door mijn haar. Iemand klopt op de deur. 'Ja, ja, ik kom!' Ik pak de sleutel uit mijn tas en loop de trap af. ik steek de sleutel in het slot en draai hem om. Ik draai aan de deurknop. En daar staat hij. Zomaar, voor haar eigen deur. 'Ik bleef je voicemailbericht maar afluisteren. Over en over. Totdat mijn beltegoed op was. Toch bleven je woorden hoorbaar. Hoorbaar in mijn gedachten. Ik hou ook van jou.'
De waarheid.
Ze voelde zich leeg, verlaten. Ze probeerde de leegte op te vullen met een bak vanilleijs, waar ze lusteloos uitlepelde. Niks leek te helpen. Ze zette de bak maar weer opzij en rende de trap op, naar haar kamer. Ze liet zich op haar bed neervallen en liet op haar kussen een spoor zoute tranen achter. Ze dacht aan zijn woorden terug, aan al zijn lieve woorden. Het was allemaal voorbij.
'Gefeliciteerd meisje van me.' Ze opende slaperig haar ogen om te zien waar het geluid vandaan kwam. Daar stond haar vriendje, mét dienblad. 'Ahw, heb je me ontbijt gemaakt?' 'Kijk eens' zei hij, en schoof het dienblad naar aar toe, terwijl hij naast haar onder de dekens ging liggen. 'Wat ben je toch mooi' fluisterde hij in haar oor en genoot van haar rode wangen. 'Kom, kleed je snel aan, ik wil je ergens mee naar toe nemen.' Een halfuurtje later liepen ze over straat hand in hand. 'Doe je ogen eens dicht' zei hij plotseling. Ze deed wat hij vroeg en leidde haar aan de hand. 'Kijk maar.' 'Wat prachtig!' fluisterde ze. Ze keek op een heuvel uit over haar dorpje. De zon prikte net boven de daken van de huizen door en in de lucht was geen enkel wolkje te bekennen. Ze zakte neer op het dekentje, dat hij had neergelegd, en keek haar ogen uit. 'Dit is echt supermooi, Frank!' En daar op dat dekentje bleven ze de hele dag zitten, zonder mobiel, zonder afleiding, alleen oog voor elkaar. Totdat de zon onder ging, toen haalde hij iets uit zijn jaszak. Een klein, blauw juweliersdoosje. 'Kim, wil je met me trouwen?' 'Ja, ja! Dat wil ik!' Met een arm om haar schouder liepen ze de heuvel naar beneden, een ring schitterd om haar linkerringvinger.
Precies een jaar later trouwde ze op die heuvel. Het was een kleine bruiloft, met wenig mensen. Maar het was precies goed zo. Ze straalde helemaal van geluk. Ja, ze hield echt van hem. Na een paar jaar alleen met hem, baarde ze drie kinderen. En hadden een gelukkige tijd met zijn vijven, totdat.
'Kim, ik moet je iets vertellen.' Ze hoorde de snik in zijn stem, en zag hem voor het eerst huilen. Ze pakte zijn hand. 'Wat is er?' 'Ik, ik, ik weet niet hoe ik je dit moet vertellen, maar..' Zijn warme tranen stroomden nu over zijn wangen. 'Ik ben niet meer verliefd op je. Ik ben verliefd op Mark.' Mark? Haar beste vriend? 'Maar, hoe. weet je het wel zeker?' Ze kon het niet geloven. 'Doe ik iets verkeerd? Ligt het aan mij?' 'Nee, nee! Het overviel me gewoon.' 'Maar wat als het over gaat?' 'Het gaat neit meer over, het is er altijd al geweest, totdat ik jou ontmoette.' Hij ging verslagen op hun bed zitten. Langzaam zette zij zich naast hem. 'Hoe moet het nu verder?' fluisterde ze. 'Het is misschien het beste als we uit elkaar gaan.' Nu stroomden ook de tranen over haar wangen. 'Zolang je maar gelukkig bent' zei ze. 'dat hoop ik ook voor jou. Ik zal er altijd zijn voor jou en de kinderen. Alleen niet meer als jouw man.'
'Gefeliciteerd meisje van me.' Ze opende slaperig haar ogen om te zien waar het geluid vandaan kwam. Daar stond haar vriendje, mét dienblad. 'Ahw, heb je me ontbijt gemaakt?' 'Kijk eens' zei hij, en schoof het dienblad naar aar toe, terwijl hij naast haar onder de dekens ging liggen. 'Wat ben je toch mooi' fluisterde hij in haar oor en genoot van haar rode wangen. 'Kom, kleed je snel aan, ik wil je ergens mee naar toe nemen.' Een halfuurtje later liepen ze over straat hand in hand. 'Doe je ogen eens dicht' zei hij plotseling. Ze deed wat hij vroeg en leidde haar aan de hand. 'Kijk maar.' 'Wat prachtig!' fluisterde ze. Ze keek op een heuvel uit over haar dorpje. De zon prikte net boven de daken van de huizen door en in de lucht was geen enkel wolkje te bekennen. Ze zakte neer op het dekentje, dat hij had neergelegd, en keek haar ogen uit. 'Dit is echt supermooi, Frank!' En daar op dat dekentje bleven ze de hele dag zitten, zonder mobiel, zonder afleiding, alleen oog voor elkaar. Totdat de zon onder ging, toen haalde hij iets uit zijn jaszak. Een klein, blauw juweliersdoosje. 'Kim, wil je met me trouwen?' 'Ja, ja! Dat wil ik!' Met een arm om haar schouder liepen ze de heuvel naar beneden, een ring schitterd om haar linkerringvinger.
Precies een jaar later trouwde ze op die heuvel. Het was een kleine bruiloft, met wenig mensen. Maar het was precies goed zo. Ze straalde helemaal van geluk. Ja, ze hield echt van hem. Na een paar jaar alleen met hem, baarde ze drie kinderen. En hadden een gelukkige tijd met zijn vijven, totdat.
'Kim, ik moet je iets vertellen.' Ze hoorde de snik in zijn stem, en zag hem voor het eerst huilen. Ze pakte zijn hand. 'Wat is er?' 'Ik, ik, ik weet niet hoe ik je dit moet vertellen, maar..' Zijn warme tranen stroomden nu over zijn wangen. 'Ik ben niet meer verliefd op je. Ik ben verliefd op Mark.' Mark? Haar beste vriend? 'Maar, hoe. weet je het wel zeker?' Ze kon het niet geloven. 'Doe ik iets verkeerd? Ligt het aan mij?' 'Nee, nee! Het overviel me gewoon.' 'Maar wat als het over gaat?' 'Het gaat neit meer over, het is er altijd al geweest, totdat ik jou ontmoette.' Hij ging verslagen op hun bed zitten. Langzaam zette zij zich naast hem. 'Hoe moet het nu verder?' fluisterde ze. 'Het is misschien het beste als we uit elkaar gaan.' Nu stroomden ook de tranen over haar wangen. 'Zolang je maar gelukkig bent' zei ze. 'dat hoop ik ook voor jou. Ik zal er altijd zijn voor jou en de kinderen. Alleen niet meer als jouw man.'
Vlinders.
Allerei bonte vlinders vliegen in het rond. Rode, gele, witte, blauwe, een regenboog aan kleuren. Alleen zijn ze al prachtig, maar samen vormen ze de mooiste regenboog, het mooiste bloemenpakket, de verf op een schilderspalet. Ze vliegen kriskras door elkaar, maar toch zit er een patroon in. Opmerkelijk hoe die verlegen, twijfelende rupsen om zijn getoverd in dit. Rupsen die dachten nooit te veranderen. Rupsen die dacten nooit meer anders te worden, alleen twijfelend, verlegen, bang om hun kopje fier omhoog te houden. Gepakt worden door een vogel, is zo gebeurd. Leven in angst, angst om vernederd te worden. Opgegeten te worden. Ze wikkelen zich in. Houden het leven niet meer vol, kunnen niet meer. En dan na dagen gaat opeens de zon feller schijnen. Ze voelen weer warmte op hun kopje. Ze voelen zich anders, als nieuw, herboren. Sierlijk gaan ze op een blad zitten, het allemaal even laten bezinken. En dan komen ze tot de conclusie. Het leven is mooi. Ik ben vrij, vrij om te gaan, vrij om mezelf te zijn. Tijd om te leven.
Jij.
Het is druk, veel geschreeuw, veel mensen. ik zit er midden tussen in, maar toch hoor ik er niks van. ik voel geen rennende kinderen, die me half omver duwen. Ik spreek niet, als iemand me iets vraagt. Ik hoor alleen jou, jij die door mijn gedachten rent. Je zachte aanrakingen, je lieve woordjes. Alles aan jou is goed, is geweldig, is fijn. Je bent fijn. Je bent overal, maar toch ook weer niet. Waar ben je, denk je nu aan me? Ik kan niet meer slapen, mijn gedachten zijn bij jou, telkens weer. Je grote ogen, je warrige haren, je mond. Twijfels vermengd met intens geluk, gaan door mijn maag. Je bent de oorzaak, maar ik beschuldig je nergens van. Ik kan je niet beschuldigen, je bent alles voor me.
Samenwerking.
Elke woensdagmiddag, na een lang dagje school, rij ik op mijn gemak naar huis. Want elke woensdag wacht er een verrassing op me. Drie donkerharige vrienden laten me elke keer weer zien wat het woord samenwerken nu echt betekent. Samen (ver)bouwen ze aan een kever, een oude kever. Sinds het nieuwe jaar heb ik die onbruikbare kever zien veranderen. Elke week weer ziet hij er beter uit. dat kan ook niet anders, die jongens repareren hem met voorzichtigheid, liefde en met veel wijsheid. Ik geniet van hun blikken, hun gelach, ook al ken ik ze niet. Het is een feest om langs te rijden, elke keer weer, en eventjes deel te nemen aan hun geluk.
Abonneren op:
Posts (Atom)